18. Al-Kahf
1Lof zij God die het boek tot Zijn dienaar heeft neergezonden en die heeft gemaakt dat het geen afwijking heeft
2[een boek] dat juist is, om de mensen te waarschuwen voor een hevig geweld dat van Hem komt en om aan de gelovigen die de deugdelijke daden doen het goede nieuws te verkondigen dat er voor hen een goed loon is
3daarin zullen zij voor altijd verblijven
4en om hen te waarschuwen die zeggen: "God heeft zich een kind genomen
5Zij hebben daar geen kennis over en hun vaderen ook niet. Het is een groot woord dat uit hun monden komt. Zij spreken slechts leugen
6En misschien zul jij ten gevolge daarvan, als zij in dit bericht niet geloven, je zelf van smart nog ombrengen
7Wij hebben wat er op de aarde is tot een versiering voor haar gemaakt om hen op de proef te stellen wie van hen het beste is in wat hij doet
8En Wij zullen wat er op haar is tot dorre kale grond maken
9Of denk jij dan dat de mensen van de grot en ar-Rakiem iets verbazingwekkends onder Onze tekenen waren
10Toen de jonge mannen in de grot een onderkomen zochten en zeiden: "Onze Heer, geef ons van Uw kant barmhartigheid en bereid ons uit onze toestand een goede uitweg
11En Wij bedekten in de grot hun oren voor een aantal jaren
12Toen lieten Wij hen opstaan, opdat Wij zouden weten wie van beide partijen het nauwkeurigst zou berekenen hoe lang zij er gebleven waren
13Wij vertellen jou het bericht over hen naar waarheid; zij waren jonge mannen die in hun Heer geloofden en die Wij nog beter op het goede pad brachten
14En Wij versterkten hun harten toen zij opstonden en zeiden: "Onze Heer is de Heer van de hemelen en de aarde. Wij zullen in plaats van Hem geen god aanroepen; dan zouden wij iets afwijkends zeggen
15Onze mensen hier hebben zich in plaats van Hem goden genomen. Hadden zij dan niet daarvoor met een duidelijke machtiging kunnen komen? En wie is er zondiger dan wie over God bedrog verzint
16Maar daar jullie je van hen afgescheiden hebben en alleen God dienen, zoekt dan jullie onderkomen in de grot. Dan zal jullie Heer iets van Zijn barmhartigheid voor jullie uitspreiden en maken dat er uit jullie toestand voor jullie iets zinvols voortkomt
17En jij zou zien dat de zon, wanneer zij opging, zich aan de rechterkant van hun grot wegboog en wanneer zij onderging, dat zij hen aan de linkerkant schampte, terwijl zij zich in een nis ervan bevonden. Dat behoort tot Gods tekenen. Wie door God op het goede pad gebracht is, die volgt het goede pad en wie Hij tot dwaling brengt, voor hem vind jij geen beschermer die de weg wijst
18En jij zou denken dat zij wakker waren, terwijl zij lagen te slapen. En Wij draaiden hen op hun rechterkant en op hun linkerkant terwijl hun hond zijn voorpoten op de drempel had uitgestrekt. Als jij hen te zien had gekregen, zou je bij hen weg zijn gevlucht en je zou voor hen van vrees vervuld zijn geweest
19Zo hebben Wij hen laten opstaan, opdat zij elkaar zouden ondervragen. Een van hen zei: "Hoe lang heeft het voor jullie geduurd?" Zij zeiden: "Het heeft voor ons een dag of een paar dagen geduurd." Zij zeiden: "Jullie Heer weet het best hoe lang het voor jullie geduurd heeft. Zendt dan een van jullie met dit zilverstuk van jullie naar de stad en dan moet hij maar kijken wat het beste voedsel is om jullie daarvan proviand te brengen. En hij moet zich vriendelijk gedragen en niemand van jullie iets laten merken
20Want als zij van jullie vernemen dan zullen zij jullie stenigen of jullie naar hun geloof terugbrengen en dan zal het jullie nooit welgaan
21Zo maakten Wij dat men hen ontdekte, opdat zij zouden weten dat Gods toezegging waar is en dat er aan het uur geen twijfel is. Toen zij met elkaar over hun geval twistten, zeiden zij: "Bouwt een gebouw over hen heen." Maar hun Heer kent hen het best. Zij die in hun geval overwonnen zeiden: "Wij zullen over hen heen een plaats van aanbidding inrichten
22Ze zullen zeggen: "Drie, en de vierde van hen is hun hond" en ze zeggen: "Vijf, en de zesde van hen is hun hond." Het is een gissing naar het verborgene. En ze zeggen: "Zeven, en de achtste van hen is hun hond." Zeg: "Mijn Heer kent hun aantal het best" En slechts weinigen kennen hen. Twist dus slechts op een oppervlakkige manier over hen en vraag van geen van hen uitsluitsel over hen
23En zeg niet van iets: "Ik zal dat morgen doen
24zonder: "als God wil." En gedenk jouw Heer wanneer je het vergeten hebt en zeg: "Misschien dat mijn Heer mij op het goede pad zal brengen, dat dichter bij de rechtschapenheid is dan dit
25Zij waren driehonderd jaar in de grot gebleven en nog negen jaar erbij
26Zeg: "God weet het best hoe lang het voor hen duurde. Van Hem is het verborgene van de hemelen en de aarde. Wat is Hij scherpziend en wat is Hij scherphorend! Zij hebben buiten hem geen beschermer en Hij maakt niemand deelgenoot van Zijn oordeel
27En lees voor wat Ik jou van het boek van jouw Heer heb geopenbaard. Er is niemand die Zijn woorden kan veranderen en buiten Hem zul jij geen schuilplaats vinden
28En volhard geduldig met hen die hun Heer in de morgen en de avond aanroepen terwijl zij Zijn aangezicht zoeken en laat het niet zo zijn dat jij voor hen geen oog hebt omdat jij de pracht van het tegenwoordige leven wenst. En gehoorzaam hem niet van wie Wij het hart te onoplettend hebben gemaakt om Ons te gedenken en die zijn eigen bevlieging volgt en die onmatig is
29En zeg: "De waarheid komt van jouw Heer vandaan." Wie het wil, die moet dan geloven en wie het wil, die moet maar ongelovig zijn. Wij hebben voor de onrechtplegers een vuur klaargemaakt dat hen van alle kanten omhult. En als zij om hulp vragen worden zij geholpen met water als gesmolten metaal dat de gezichten roostert. Dat is pas een slechte drank en het is een slechte rustplaats
30Zij die geloven en de deugdelijke daden doen? Wij zullen het loon van hen die goed werk doen niet verloren laten gaan
31Zij zijn het voor wie de tuinen van 'Adn zijn waarvan de rivieren onder hen door stromen. Zij tooien zich daarin met armbanden van goud en zij kleden zich met groene kleding van zijde en goudbrokaat, terwijl zij er op ligbanken achteroverleunen. Dat is pas een goede beloning en het is een goede rustplaats
32En geef hun een voorbeeld: Twee mannen, voor een van beiden maakten Wij twee tuinen met wijnstokken en Wij omringden die met palmen en plaatsten tussen beide landbouwgewassen
33Beide tuinen gaven hun vruchtopbrengst en schoten daarbij in niets tekort. En Wij lieten door beide een rivier stromen
34Hij had inderdaad opbrengst! Hij zei dus tot zijn metgezel met wie hij in gesprek was: "Ik heb meer bezit dan jij en beschik over meer mensen
35En hij ging zijn tuin in, terwijl hij zichzelf onrecht aandeed. Hij zei: "Ik denk niet dat dit hier ooit zal vergaan
36en ik denk ook niet dat het uur aanstaande is. En als ik naar mijn Heer teruggebracht word zal ik nog iets beters dan dit hier als eindbestemming vinden
37Zijn metgezel met wie hij in gesprek was zei tot hem: "Hecht jij dan geen geloof aan Hem die jou uit aarde en dan uit een druppel schiep en je dan tot man gevormd heeft
38Maar voor mij is Hij God, mijn Heer, en ik voeg aan mijn Heer niemand als metgezel toe
39Had je maar gezegd toen jij je tuin inging: 'Zoals God het wil. Alleen in God is kracht!? Als jij van mij ziet, dat ik minder bezit en kinderen heb
40misschien dat God mij dan iets beters zal geven dan jouw tuin en er een afrekening uit de hemel naartoe zal zenden zodat het kale, glibberige grond wordt
41of dat het water er diep wegzakt zodat jij het niet meer kunt vinden
42En zijn vruchten werden volkomen verwoest. Toen begon hij zich de handen te wringen om wat hij ervoor had uitgegeven nu hij er zo geruïneerd bijlag. En hij zei: "Ach had ik aan mijn Heer maar niemand als metgezel toegevoegd
43En buiten God was er voor hem geen troepenmacht die hem kon helpen; hij kreeg dan ook geen hulp
44Als het zo ver is heeft alleen de ware God nog bescherming te bieden. Hij geeft de beste beloning en het beste uiteinde
45En maak voor hen een vergelijking: Het tegenwoordige leven is als water dat Wij uit de hemel laten neerdalen. De planten van de aarde groeien daardoor in bonte mengeling. Dan worden zij droge stengels die de wind wegblaast. God is over alles machthebber
46Bezit en zonen zijn de pracht van het tegenwoordige leven, maar de deugdelijke daden, die duurzaam zijn, hebben bij jouw Heer een betere beloning en een betere verwachting
47En op de dag dat Wij de bergen in beweging zetten en jij de aarde tevoorschijn ziet komen en Wij hen verzamelen, dan laten Wij niet één van hen achter
48En zij worden voor jouw Heer in een rij voorgeleid: "Jullie bent tot Ons gekomen zoals Wij jullie de eerste maal geschapen hebben. Toch beweerden jullie dat Wij voor jullie geen aangewezen tijdstip hadden vastgesteld
49En het boek wordt voorgelegd en dan zul jij de boosdoeners terug zien deinzen voor wat erin staat en zij zullen zeggen: "Wee ons, wat is er met dit boek dat niets kleins en niets groots onopgesomd laat?" En zij vinden dat wat zij deden aanwezig is. En jouw Heer doet niemand onrecht aan
50Toen Wij tot de engelen zeiden: "Buigt eerbiedig neer voor Adam", bogen zij zich eerbiedig neer, behalve Iblies die tot de djinn behoorde; hij zondigde dus tegen het bevel van zijn Heer. Zullen jullie dan hem en zijn nageslacht in plaats van mij als beschermers nemen, terwijl zij jullie tot vijand zijn. Dat is pas een slechte ruil voor de onrechtplegers
51Ik liet hen niet getuige zijn van de schepping van de hemelen en de aarde en ook niet van de schepping van henzelf; Ik neem hen die tot dwaling brengen toch niet als steun
52En op de dag dat Hij zegt: "Roept Mijn [zogenaamd goddelijke] metgezellen van wie jullie het bestaan beweerden." Dan roepen zij hen aan, maar zij geven hun geen gehoor. En Wij maken tussen hen een afgrond
53En de boosdoeners zien het vuur en vermoeden al dat zij erin zullen vallen en zij merken dat er geen ontkomen aan is
54En Wij hebben in deze Koran voor de mensen toch allerlei voorbeelden uiteengezet, maar de mens is het meest van al twistziek
55En de mensen werden toen de leidraad tot hen kwam slechts gehinderd te geloven en hun Heer om vergeving te vragen, opdat de gebruikelijke behandeling van hen die er eertijds waren tot hen zou komen of de bestraffing in allerlei soorten tot hen zou komen
56En Wij zenden de gezondenen slechts als verkondigers van goed nieuws en als waarschuwers. En zij die ongelovig zijn redetwisten met behulp van onzin om daarmee de waarheid te weerleggen. En zij hebben met Mijn tekenen en dat waarmee zij gewaarschuwd werden de spot gedreven
57En wie is er zondiger dan hij die met de tekenen van zijn Heer vermaand is en er zich dan van afwendt en vergeet wat zijn handen tevoren deden? Wij hebben over hun harten hoezen gelegd zodat zij het niet begrijpen en in hun oren hardhorendheid. En als jij hen oproept tot de leidraad, dan zullen zij zich toch nooit in de goede richting laten leiden
58Maar jouw Heer is de vergevende die vol barmhartigheid is. Als Hij hun zou aanrekenen wat zij begaan hebben, dan zou Hij voor hen de bestraffing verhaasten. Toch ligt voor hen een aangewezen tijdstip vast waarvoor zij geen uitwijkplaats zullen vinden
59En dat zijn de steden die Wij vernietigd hebben toen zij onrecht pleegden. En Wij hebben voor hun vernietiging een aangewezen tijdstip vastgesteld
60En toen Moesa tot zijn knecht zei: "Ik zal niet ophouden tot ik de plaats bereik waar de beide zeeën samenkomen al zou ik tijden moeten doorgaan
61En toen zij de plaats waar beide samenkomen bereikt hadden, vergaten zij hun vis en die baande zich toen een weg de zee in waarbij hij verdween
62En toen zij verder gegaan waren zei hij tot zijn knecht: "Breng ons ons middagmaal, want door deze reis van ons hebben wij vermoeienis te verduren gehad
63Hij zei: "Heb je gezien? Toen wij ons naar de rots begaven vergat ik de vis. En niemand anders dan de satan heeft mij hem laten vergeten, zodat ik niet aan hem dacht en hij baande zich een weg de zee in op een verbazingwekkende manier
64Hij zei: "Dat was het wat wij zochten!" Toen draaiden zij om en keerden op hun schreden terug
65Zij vonden toen een van Onze dienaren die Wij barmhartigheid van Onze kant gegeven hadden en die Wij kennis die bij Ons vandaan kwam onderwezen hadden
66Moesa zei tot hem: "Mag ik jou volgen zodat jij mij onderwijst in wat jou aan redelijk inzicht onderwezen is
67Hij zei: "Jij zult het met mij niet kunnen uithouden
68Hoe zul jij het kunnen uithouden bij iets wat jij met je kennis niet kunt omvatten
69Hij zei: "Je zult vinden dat ik, zo God wil, volharden zal en ik zal jou in geen bevel ongehoorzaam zijn
70Hij zei: "Als jij mij dan volgt, vraag mij dan niets, zolang ik er zelf niet tot jou over spreek
71Zo gingen zij dan verder totdat hij, toen zij aan boord van het schip waren gegaan, er een gat in maakte. Hij zei: "Maak jij er een gat in om haar opvarenden te laten verdrinken? Daar heb je echt iets vreselijks begaan
72Hij zei: "Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden
73Hij zei: "Neem mij niet kwalijk dat ik het vergat en reken het mij niet te zwaar aan
74Zo gingen zij verder totdat zij een jonge man tegenkwamen. Die doodde hij toen. Hij zei: "Hoe kon jij een onschuldig mens doden en niet eens uit vergelding voor het leven van iemand anders? Daar heb je echt iets verwerpelijks begaan
75Hij zei: "Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden
76Hij zei: "Als ik je hierna nog eens naar iets vraag, dan moetje mij niet verder met je mee laten gaan. Van mijn kant heb je al een verontschuldiging gekregen
77Zo gingen zij dan verder totdat zij, toen zij bij de mensen van de stad gekomen waren, hun om voedsel vroegen. Maar zij weigerden hun gastvrijheid te verlenen. Toen vonden zij daar een muur die dreigde in te storten, maar hij zette hem overeind. Hij zei: "Als je wilde, had je daarvoor loon kunnen krijgen
78Hij zei: "Dit is dan de scheiding tussen jou en mij. Ik zal je de uitleg meedelen van wat jij niet kon uithouden
79Wat het schip betreft, dat was van arme mensen die op zee werken en ik wenste het te beschadigen. Hun stond namelijk een koning te wachten die elk schip met geweld nam
80Wat de jonge man betreft, zijn ouders waren gelovige mensen en wij vreesden dat hij hen door onbeschaamdheid en ongeloof te zeer zou kwellen
81Wij wensten dus dat hun Heer hun iemand voor hem in de plaats zou geven die zuiverder en vriendelijker zou zijn dan hij
82En wat de muur betreft, die was van twee weesjongens in de stad en er was een schat onder die hun beiden toebehoorde en hun vader was een rechtschapen man geweest. Jouw Heer wenste dat zij volgroeid zouden zijn en hun schat tevoorschijn halen; het was barmhartigheid van jouw Heer. Ik deed het niet uit eigen beweging. Dat is de uitleg van wat jij niet kon uithouden
83En zij vragen jou naar de man met de twee horens. Zeg: "Ik zal jullie over hem een verslag voorlezen
84Wij hadden hem op de aarde macht gegeven en een toegangsweg tot alle dingen
85Toen volgde hij een toegangsweg
86totdat hij, toen hij de plaats van de zonsondergang bereikte, vond dat zij onderging in een bron van modder en daarbij trof hij mensen aan. Wij zeiden: "Jij met de twee horens, of jij bestraft, of jij behandelt hen goed
87Hij zei: "Wat hem betreft die onrecht pleegt die zullen wij bestraffen, dan wordt hij tot zijn Heer teruggebracht en Hij zal hem met een kwalijke bestraffing straffen
88En wat hem betreft die gelooft en deugdelijk handelt, die zal als beloning het beste krijgen. En Wij zullen van Onze beschikking iets gemakkelijks tot hem zeggen
89Daarna volgde hij een toegangsweg
90totdat hij, toen hij de plaats van de zonsopgang bereikte, vond dat zij opging over mensen voor wie Wij geen bescherming ertegen gemaakt hadden
91Zo was het. En Wij omvatten met Onze kennis wat er bij hem was
92Daarna volgde hij een toegangsweg
93totdat hij, toen hij tussen de beide barrières aankwam, ernaast mensen aantrof die nauwelijks een woord begrepen
94Zij zeiden: "Jij met de twee horens, Jadjoedj en Madjoedj brengen verderf op de aarde. Zullen wij jou er dan een vergoeding voor toekennen dat jij tussen ons en hen een barrière maakt
95Hij zei: "De macht die mijn Heer mij gegeven heeft is beter. Helpt mij maar krachtig, dan zal ik tussen jullie en hen een wal opwerpen
96Brengt mij brokken ijzer." En toen hij het dan tussen beide hellingen even hoog had opgestapeld zei hij: "Blaast!" En toen hij er dan een vuur van gemaakt had zei hij: "Brengt mij gesmolten koper om eroverheen te gieten
97En zij konden er niet overheen komen noch een bres erin slaan
98Hij zei: "Dit is een barmhartigheid van mijn Heer. Wanneer de toezegging van mijn Heer komt, dan maakt Hij hem met de grond gelijk. En de toezegging van mijn Heer is waar
99En Wij laten hen op die dag door elkaar heen krioelen. Dan wordt op de bazuin geblazen en verzamelen Wij hen bijeen
100En Wij confronteren op die dag de ongelovigen met de hel
101Van hen waren de ogen voor Mijn vermaning afgedekt en zij konden niet horen
102Of rekenen zij die ongelovig zijn erop dat zij Mijn dienaren in plaats van Mij als beschermers kunnen nemen? Wij hebben de hel voor de ongelovigen als gastverblijf klaargemaakt
103Zeg: "Zullen wij jullie meedelen wie door hun daden de grootste verliezers zijn
104van wie het streven in het tegenwoordige leven teloorgaat terwijl zij erop rekenen goed werk te doen
105Dat zijn zij die geen geloof hechten aan de tekenen van hun Heer en aan de ontmoeting met Hem. Hun daden zullen dus vruchteloos zijn. Wij zullen hun op de opstandingsdag dan ook geen gewicht toekennen
106Dat is hun vergelding, de hel, omdat zij ongelovig waren en de spot dreven met Mijn tekenen en Mijn gezanten
107Maar zij die geloven en de deugdelijke daden doen, voor hen zijn er de tuinen van het paradijs als gastverblijf
108Zij zullen daarin altijd blijven zonder er ooit uit weg te willen gaan
109Zeg: "Als de zee inkt was voor de woorden van mijn Heer, dan zou de zee uitgeput raken voordat de woorden van mijn Heer uitgeput raakten, ook al brachten wij nog een keer zoveel
110Zeg: "Ik ben slechts een mens als jullie; aan mij wordt geopenbaard dat jullie god één god is. Wie dan hoopt op de ontmoeting met zijn Heer, die moet deugdelijk handelen en in de eredienst van zijn Heer niet een als metgezel [aan Hem] toevoegen
bron: Fred Leemhuis
WEBREATH · 11:11
«If you are thankful, I will give you more» — Quran 14:7
Breath is one for all: everyone lives by it, whoever they are and whatever they believe. Every day at 11:11 local time people stop for sixty seconds, breathe, and thank GOD for the breath — each in their own words, each within themselves. In that minute we are One Breath.
WEBREATH — the Minute at 11:11, your own local time — we are One Breath